Ghent University
Conceptuele evaluatie van het onderzoek over een mondiaal stedennetwerk
Abstract
dc:descriptionDit proefschrift evalueert het bestaande onderzoek naar een mondiaal stedennetwerk, vaak kortweg aangeduid als ‘wereldstedenonderzoek’. In de meest elementaire betekenis verwijst de notie ‘mondiaal stedennetwerk’ naar het bestaan van een transnationaal nederzettingspatroon waarvan de ruimtelijke structurering in variërende, maar niet-exclusieve mate beïnvloed wordt door de territoriale structuren waarin dit nederzettingspatroon is ingebed. Onderzoekers hebben in de afgelopen jaren deze algemene benadering als vertrekpunt genomen om meer inzicht te verkrijgen in de opbouw en structurering van dit stedennetwerk. De verschillende bijdragen tot dit onderzoeksveld kunnen hierbij opgedeeld worden in drie types studies, m.n. (i) theoretische studies waarin nagegaan wordt op welke wijze dergelijk mondiaal stedennetwerk kan geconceptualiseerd worden; (ii) empirische studies waarin getracht wordt om de contouren van dit mondiaal stedennetwerk in kaart te brengen; en (iii) studies die gebruik maken van inzichten uit het theoretische en/of empirische onderzoek om het eigen onderzoekskader te verrijken. De evaluatie van dit onderzoeksveld gebeurt aan de hand van een uitwerking van deze driedeling. In het eerste deel worden de voornaamste theoretische bijdragen besproken. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de vaakst aangewende invalshoeken, m.n. die van Friedmann (wereldsteden), Sassen (mondiale steden), en Scott (mondiale stadsregio’s). Elk van deze drie auteurs poogt een specifieke conceptualisatie te ontwikkelen, en er zijn dan ook cruciale verschilpunten inzake het perspectief op (i) de hoofdfunctie van de stad, (ii) de manier waarop steden deel uitmaken van een overkoepelend stedennetwerk, (iii) de ruimtelijke afbakening van het stedelijke gebied, en (iv) de metatheorie omtrent de ruimtelijke structurering van het mondiaal georganiseerde kapitalisme. Deze conceptuele uitdieping wordt vervolgens aangewend om een evaluatie te maken van de draagkracht van de verschillende theoretische benaderingen, en dit aan de hand van een analyse van de voornaamste verschilpunten en potentiële mogelijkheden tot analytische kruisbestuiving. In het tweede deel worden de voornaamste empirische benaderingen besproken. Alhoewel het logisch lijkt om deze discussie op te hangen aan de in het eerste deel besproken conceptualisaties, blijkt dergelijke benadering in de praktijk moeilijk aan te houden: empirische studies verwijzen weliswaar vrijwel steeds naar het meer theoretisch geïnspireerde onderzoek, maar de studies nemen slechts zelden een aanpak die éénduidig appelleert aan een specifiek concept. Het hier voorgestelde alternatief bestaat erin de evaluatie op te hangen aan de aangewende databronnen. Er worden drie benaderingen onderscheiden: (i) de bedrijfsbenadering, waarin verondersteld wordt dat informatie over de wijze waarop bedrijven zich mondiaal organiseren inzicht kan verschaffen in de structuur van een mondiaal stedennetwerk; (ii) de infrastructuurbenadering, die uitgaat van de premisse dat de structuur van dergelijk stedennetwerk kan afgeleid worden uit een analyse van grootschalige infrastructuurnetwerken; (iii) en tenslotte zijn er ook een aantal studies die niet eenvoudigweg te herleiden zijn tot één van beide vorige benaderingen doordat gewerkt wordt met een multi-dimensionele dataset en/of databronnen die geen rechtstreekse informatie geven over bedrijfsorganisatie of infrastructuurnetwerken. Ook hier worden de gedetailleerde besprekingen gebruikt als input voor een evaluatie van de draagkracht van het empirische onderzoek, zij het dat deze bespreking initieel beperkt wordt tot een atlaskundige evaluatie van het empirische onderzoek. In het derde deel wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop het conceptuele raamwerk van auteurs zoals Friedmann, Sassen en Scott door andere onderzoekers wordt aangewend om de eigen inzichten aan te scherpen. De conceptuele kern van het begrippenapparaat, dat in het eerste deel werd blootgelegd, wordt gebruikt als ijkpunt voor een tweeledige analyse. In eerste instantie wordt nagegaan hoe in het empirische onderzoek wordt gebruik gemaakt van theoretische concepten. Alhoewel de mate waarin dit gebeurt varieert van het losweg overnemen van een aantal sleuteltermen tot de constructie van hypotheses die formeel kunnen getoetst worden, wordt er vrijwel steeds een meer specifieke relevantie gesuggereerd door bij de bespreking van de resultaten terug te koppelen naar theoretische inzichten. In tweede instantie wordt nagegaan hoe auteurs zoals Manuel Castells en Peter Hall gebruik maken van inzichten uit het wereldstedenonderzoek om het eigen theoretisch kader te verrijken. Deze discussie wordt meteen ook gebruikt om een aantal begrippen waarvan het theoretische wereldstedenonderzoek zich zelf bedient (zoals ‘stad’ en ‘hiërarchie’) nauwkeuriger te specifiëren.
Author and committee
dc:creator, dc:contributor.*- Author dc:creator
-
- Derudder, Ben
- Contributors dc:contributor
-
- Saey, P
Rights
dc:rights- Statement dc:rights
-
- info:eu-repo/semantics/openAccess
- Language dc:language
- und
Identifiers
dc:identifier.*- Identifier
-
https://biblio.ugent.be/publication/469336
http://doi.org/1854/4181
https://biblio.ugent.be/publication/469336/file/1877947 - OAI identifier oai:identifier
- oai:archive.ugent.be:469336